Skip to content

Oorspronkelijke Wet

Wet op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten

10 APRIL 1990.

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt:
HOOFDSTUK I : Toepassingsgebied
Artikel 1
§ 1. In de zin van deze wet wordt als bewakingsonderneming beschouwd, elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een activiteit uitoefent bestaande in de blijvende of tijdelijke levering aan derden van diensten van:
a)toezicht op en bescherming van roerende of onroerende goederen;
b)bescherming van personen;
c)toezicht op en bescherming bij het vervoer van goederen;
d)beheer van alarmcentrales.
§ 2. In de zin van deze wet wordt als interne bewakingsdienst beschouwd, elke dienst die door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon ten eigen behoeve en op voor het publiek toegankelijke plaatsen georganiseerd wordt in de vorm van onder § 1, a), b) of c) opgesomde activiteiten.
§ 3. In de zin van deze wet wordt als beveiligingsonderneming beschouwd, elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een activiteit uitoefent bestaande in de blijvende of tijdelijke levering aan derden van diensten van conceptie, installatie en onderhoud van alarmsystemen en alarmcentrales.
§ 4. De in dit artikel bedoelde alarmsystemen en alarmcentrales zijn de systemen en centrales bestemd om misdrijven tegen personen of goederen te voorkomen of vast te stellen.
HOOFDSTUK II : Vergunning en erkenning
Art. 2
§ 1. Niemand mag een bewakingsonderneming exploiteren of een interne bewakingsdienst organiseren indien hij daartoe vooraf geen vergunning heeft gekregen van de Minister van Binnenlandse Zaken, na advies van de Minister van Justitie.
In de vergunning worden de vergunde activiteiten vermeld en zij wordt eerst verleend indien de aanvrager voldoet aan alle voorschiften van deze wet en aan de door de Koning vastgestelde voorwaarden inzake de financiële middelen en de technische uitrusting waarover de onderneming of de dienst beschikt.
De vergunning kan het uitoefenen van bepaalde activiteiten en het aanwenden van bepaalde middelen en methodes uitsluiten of aan specifieke voorwaarden verbinden.
Zij wordt verleend voor een termijn van vijf jaar en kan voor gelijke termijnen worden vernieuwd. Zij kan overeenkomstig de bepalingen van artikel 17 worden geschorst of ingetrokken.
Het weigeren van de vergunning moet worden gemotiveerd.
§ 2. De bewakingsondernemingen mogen geen andere activiteiten uitoefenen dan die opgesomd in artikel 1, § 1, en waarvoor zij een krachtens § 1 volgende vergunning hebben verkregen. Zij kunnen nochtans erkend worden om de in artikel 1, § 3, bedoelde activiteiten uit te oefenen.
§ 3. Indien de bewakingsondernemingen rechtspersonen zijn, moeten zij opgericht zijn volgens de in het Belgisch recht geldende bepalingen of overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat van de Europese Gemeenschappen.
De exploitatiezetel van de bewakingsonderneming moet in België gelegen zijn.
§ 4. De Koning kan specifieke regels bepalen met betrekking tot de activiteiten bestaande in het toezicht op en de bescherming bij het internationaal vervoer van goederen.
Art. 3.
Geen bewakingsonderneming of interne bewakingsdienst mag de in artikel 1, § 1, bedoelde activiteiten uitoefenen indien de burgerrechtelijke aansprakelijkheid waartoe zij aanleiding kunnen geven, niet gedekt is door een verzekering die de bewakingsonderneming of de interne bewakingsdienst heeft afgesloten bij een verzekeringsonderneming die erkend is of van erkenning ontslagen is krachtens de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen.
De verzekering geeft aan de benadeelde een eigen recht tegen de verzekeraar. Geen enkele nietigheid, exceptie of verval van rechten kan door de verzekeraar aan de benadeelde worden tegengeworpen. De verzekeraar kan zich evenwel een verhaalsrecht voorbehouden op de verzekerde. De Koning bepaalt nadere regelen met betrekking tot de verzekering, inzonderheid wat betreft de omvang van de dekking.
Art. 4.
Niemand mag een beveiligingsonderneming exploiteren indien hij niet vooraf is erkend door de Minister van Binnenlandse Zaken.
De erkenning wordt slechts verleend indien de onderneming voldoet aan de voorschriften van deze wet en aan de door de Koning bepaalde voorwaarden betreffende de financiële middelen en de technische uitrusting.
De erkenning wordt verleend voor een termijn van vijf jaar en kan voor gelijke termijnen vernieuwd worden. Zij kan geschorst of ingetrokken worden overeenkomstig de bepalingen van artikel 17.
De weigering van de erkenning dient met redenen te worden omkleed.
HOOFDSTUK III : Uitoefeningsvoorwaarden
Art. 5.
De personen die de werkelijke leiding hebben van een bewakingsonderneming, een interne bewakingsdienst of een beveiligingsonderneming en de personen die in de raad van bestuur van een bewakings- of beveiligingsonderneming zitting hebben, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° niet veroordeeld zijn, zelfs niet met uitstel, tot een gevangenisstraf van ten minste zes maanden wegens enig misdrijf of tot een lagere gevangenisstraf wegens diefstal, afpersing, misbruik van vertrouwen, oplichting, valsheid in geschriften, aanranding van de eerbaarheid, verkrachting of bij de artikelen 379 tot 386ter van het Strafwetboek bepaalde misdrijven.
Personen die wegens soortgelijke feiten in het buitenland een in kracht van gewijsde gegane veroordeling hebben opgelopen of die in het buitenland veroordeeld zijn tot een gevangenisstraf van ten minste zes maanden wegens enig misdrijf, worden geacht niet aan de hierboven gestelde voorwaarde te voldoen.
De bewakings- of beveiligingsonderneming of de interne bewakingsdienst is gehouden ogenblikkelijk een einde te maken aan elke taak die bij deze onderneming of dienst wordt vervuld door de personen die na een in kracht van gewijsde gegane veroordeling niet meer aan deze voorwaarde voldoet.
2° Belg zijn of onderdaan van een lidstaat van de Europese Gemeenschappen.
3° hun woonplaats, of bij gebreke ervan, hun normale verblijfplaats hebben in België.
4° niet tegelijkertijd werkzaamheden van privé-detective, van wapen- of munitiefabrikant, van wapen- of munitiehandelaar of enige andere werkzaamheid uitoefenen die, doordat ze wordt uitgeoefend door dezelfde persoon die ook bewaking verricht, een gevaar kan opleveren voor de openbare orde of voor de in- of uitwendige veiligheid van de Staat.
5° voldoen aan de door de Koning vastgestelde voorwaarden inzake beroepsopleiding en -vorming en beroepservaring.
6° sinds vijf jaar geen lid zijn geweest van een politie- of openbare inlichtingendienst, noch een militair of openbaar ambt hebben bekleed dat voorkomt op een door de Koning te bepalen lijst.
7° volle eenentwintig jaar oud zijn.
De onder 2°, 3° en 5° vermelde voorwaarden gelden niet voor de leden van bestuur voor zover zij geen deel uitmaken van de werkelijke leiding van de onderneming.
De onder het 3° vermelde voorwaarde geldt niet voor de beveiligingsondernemingen.
Art. 6.
De personen die door een bewakingsonderneming of beveiligingsonderneming worden aangeworven, of voor hun rekening werken en de personen die ingezet worden bij de activiteiten van een interen bewakingsdienst, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° niet veroordeeld zijn, zelfs niet met uitstel, tot een gevangenisstraf van ten minste zes maanden wegens enig misdrijf of tot een lagere gevangenisstraf wegens diefstal, afpersing, misbruik van vertrouwen, oplichting, valsheid in geschriften, aanranding van de eerbaarheid, verkrachting of bij de artikelen 379 tot 386ter van het Strafwetboek bepaalde misdrijven.
Personen die wegens soortgelijke feiten in het buitenland een in kracht van gewijsde gegane veroordeling hebben opgelopen of die in het buitenland veroordeeld zijn tot een gevangenisstraf van ten minste zes maanden wegens enig misdrijf, worden geacht niet aan de hierboven gestelde voorwaarde te voldoen.
De bewakings- of beveiligingsonderneming is gehouden ogenblikkelijk een einde te maken aan elke taak die bij deze onderneming wordt vervuld door de persoon die na een in kracht van gewijsde gegane veroordeling niet meer aan deze voorwaarde voldoet.
2° Belg zijn of onderdaan van een lidstaat van de Europese Gemeenschappen.
3° hun woonplaats, of bij gebreke ervan, hun normale verblijfplaats hebben in België.
4° niet tegelijkertijd werkzaamheden van privé-detective, van wapen- of munitiefabrikant, van wapen- os munitiehandelaar of enige andere werkzaamheid uitoefenen die, doordat ze wordt uitgeoefend door dezelfde persoon die ook bewaking verricht, een gevaar kan opleveren voor de openbare orde of voor de in- of uitwendige veiligheid van de Staat.
5° voldoen aan de door de Koning vastgestelde voorwaarden inzake beroepsopleiding en -vorming en medisch en psychotechnisch onderzoek.
6° sinds vijf jaar geen lid geweest zijn van een politie- of openbare inlichtingendienst, noch een militair of openbaar ambt heeft bekleed dat voorkomt op een door de Koning bepaalde lijst.
7° volle achttien jaar oud zijn.
De onder het 2°, het 3° en het 5° vermelde voorwaarden gelden niet voor het administratief of logistiek personeel van bewakingsondernemingen.
Wordt als administratief en logistiek personeel beschouwd in de zin van deze wet, het personeel dat op geen enkele wijze deelneemt aan de uitoefening van de activiteiten opgesomd in artikel 1.
De onder het 2° en het 3° vermelde voorwaarden gelden niet voor het personeel van beveiligingsondernemingen.
Art. 7.
De Minister van Binnenlandse Zaken erkent onder de door de Koning vastgestelde voorwaarden de instellingen die zorgen voor de beroepsopleiding en -vorming voorgeschreven door de artikelen 5 eerste lid, 5°, en 6, eerste lid, 5°.
Art. 8.
§ 1. De personen die in dienst van of voor rekening van bewakingsondernemingen of interne bewakingsdiensten werken, kunnen werkkleding dragen op voorwaarde dat:
1° deze geen aanleiding kan geven tot verwarring met die welke agenten van de openbare macht dragen;
2° het model ervan is goedgekeurd door de Minister van Binnenlandse Zaken.
§ 2. De regels van het gemeen recht zijn van toepassing wat betreft het verkrijgen, het houden, het dragen en het gebruiken van wapens door personen die in dienst van of voor rekening van bewakingsondernemingen of interne bewakingsdiensten werken.
Voor het uitvoeren van hun opdrachten, mogen alleen de personeelsleden van de genoemde ondernemingen en diensten, of de personen die voor hun rekening werken, en met goed gevolg en door de Koning bepaalde opleiding hebben genoten, wapens houden, vervoeren en dragen.
Buiten het kader van die opdrachten worden de vuurwapens in een wapenkamer bewaard onder de verantwoordelijkheid van een daartoe aangesteld personeelslid.
In een register wordt voor elk vuurwapen vermeld welk personeelslid op een bepaald ogenblik voor welke opdracht over het desbetreffende wapen beschikte.
De Koning kan beperkingen opleggen met betrekking tot het aantal en het soort wapens in gebruik en kan bepalen aan welke voorwaarden de wapenkamer moet voldoen.
Onder de door de Koning vastgestelde voorwaarden erkent de gouverneur, na advies van de betrokken burgemeester, de schietstanden waar een opleiding en training voor het schieten met vuurwapens wordt gegeven. Het praktisch gedeelte van de in het tweede lid bedoelde opleiding mag enkel in een dergelijke schietstand gegeven worden.
§ 3. De Minister van Binnenlandse Zaken geeft aan de personen die de in artikel 1, § 1 en 2, bedoelde activiteiten uitoefenen een identificatiekaart af waarvan het model door hem wordt vastgesteld. Zij kunnen deze activiteiten slechts uitoefenen voor zover zij de identificatiekaart bij zich hebben. Zij moeten de kaart overhandigen bij elke vordering van een lid van een politiedienst. Deze personen moeten tevens een duidelijk leesbaar herkenningsteken dragen waarop hun naam, het nummer van hun identificatiekaart en de naam van hun onderneming vermeld staan.
§ 4. De Minister van Binnenlandse Zaken keurt, volgens door de Koning vastgestelde normen, de technische kenmerken goed van de voertuigen waarvan de bewakingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten gebruik willen maken voor het uitoefenen van hun bewakingsactiviteiten. Die voertuigen mogen geen aanleiding geven tot verwarring met die welke gebruikt worden door de openbare macht.
§ 5. De Koning kan voorwaarden bepalen waaronder de bewakingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten bij het uitoefenen van hun opdrachten gebruik kunnen maken van bepaalde middelen en methodes. In dringende gevallen en in geval van ernstige en onmiddellijke bedreiging van de openbare orde, kan de Minister van Binnenlandse Zaken, in het belang van de openbare orde, op de openbare weg en in voor het publiek toegankelijke plaatsen tijdelijk de uitoefening van bepaalde opdrachten of het gebruik van bepaalde middelen of methodes verbieden of aanvullende veiligheidsmaatregelen opleggen.
Niemand kan, zonder zijn uitdrukkelijke toestemming te hebben gegeven, door een bewakingsonderneming of een interne bewakingsdienst bijzonder worden bewaakt of beschermd.
Art. 9
Wanneer de bewakingsondernemingen en interne bewakingsdiensten activiteiten zoals bedoeld in artikel 1, § 1, a) en d), uitoefenen, brengen zij de burgemeesters van de betrokken gemeenten ervan vooraf op de hoogte. De burgemeesters houden de aldus verkregen inlichtingen ter beschikking van de Minister van Binnenlandse Zaken, die ze op elk ogenblik kan opvragen.
Bij het toezicht op en de bescherming bij het vervoer van goederen dat zich over meer dan één gemeente uitstrekt, brengen zij de territoriaal gevoegde rijkswachtoverheden vooraf op de hoogte.
Die informatie moet hun tijdig worden meegedeeld en moet in elk geval alle aanwijzingen bevatten over de aard, de plaatsen, de data en de uren van het vervoer die onmisbaar zijn voor de goede uitoefening van de politietaken.
De bewakingsondernemingen en interne bewakingsdiensten beantwoorden onverwijld elke vraag om inlichtingen betreffende hun activiteiten die uitgaat van de gerechtelijke en administratieve overheden of van de met het toezicht op de uitvoering van deze wet belaste ambtenaren en agenten.
Art. 10
Onverminderd de artikelen 30 en 106 van het Wetboek van strafvordering, delen de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen, de interne bewakingsdiensten, de personeelsleden van die diensten en de personen die voor hun rekening werken, aan de rechtelijke instanties, telkens als deze erom verzoeken, onverwijld alle inlichtingen mede over misdrijven waarvan zij tijdens of naar aanleiding van de uitoefening van hun activiteiten kennis krijgen.
Art. 11
Onverminderd artikel 422bis van het Strafwetboek en elke andere wettelijke verplichting om bijstand te verlenen aan personen in gevaar, is het de bewakingsondernemingen verboden, in het kader van hun activiteiten:
a) zich in te laten met of tussen te komen in een politiek of een arbeidsconflict;
b) op te treden tijdens of naar aanleiding van vakbondsactiviteiten of activiteiten met een politieke finaliteit.
Het is de bewakingsondernemingen en interne bewakingsdiensten eveneens verboden toezicht te houden op politieke, filosofische, godsdienstige of vakbondsovertuigingen en op de uiting van die overtuigingen, alsmede te dien einde gegevensbestanden aan te leggen.
Het is de bewakingsondernemingen verboden enig gegeven over hun cliënten of de personeelsleden ervan aan derden mede te delen.
Art. 12
De alarmsystemen en alarmcentrales bedoeld in artikel 1, § 4, en de componenten daarvan mogen niet in de handel worden gebracht of op enige andere wijze ter beschikking van de gebruikers worden gesteld dan nadat zij tevoren volgens een door de Koning vast te stellen procedure zijn goedgekeurd.
De Koning bepaalt eveneens de voorwaarden voor de installatie, het onderhoud en het gebruik van de in artikel 1, § 4, bedoelde alarmsystemen en alarmcentrales en hun componenten.
Art. 13
Elk document dat uitgaat van een bewakingsonderneming, een interne bewakingsdienst of een beveiligingsonderneming, moet melding maken van de in artikel 2 bedoelde vergunning of de in artikel 4 bedoelde erkenning.
HOOFDSTUK IV : Controle
Art. 14
De bewakings- en beveiligingsondernemingen zenden jaarlijks aan de Minister van Binnenlandse Zaken een activiteitenverslag waarvan hij de inhoud bepaalt.
De Minister van Binnenlandse Zaken brengt jaarlijk voor 31 maart aan de Kamers schriftelijk verslag uit over de toepassing van deze wet.
Art. 15
Onverminderd de mogelijkheid om zich tot de rechterlijke instanties te wenden, kan al wie bij bewakingsactiviteiten onregelmatigheden vaststelt, hiervan kennis geven aan de Minister van Binnenlandse Zaken.
Art. 16
De leden van de gemeentepolitie, de rijkswacht, de gerechtelijke politie en de door de Koning aangewezen ambtenaren en agenten houden toezicht op de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten. Zij hebben het recht processen-verbaal op te stellen die bewijskracht hebben tot bewijs van het tegendeel.
Een afschrift van het proces-verbaal wordt binnen vijftien dagen vanaf de vaststelling van de overtreding aan de overtreder gezonden.
De personen belast met de controle hebben te allen tijde toegang tot de onderneming. Zij kunnen inzage nemen van alle stukken die daartoe noodzakelijk zijn.
De ambtenaren en agenten kunnen in de uitoefening van hun ambt de bijstand van de gemeentepolitie en de rijkswacht vorderen.
Een afschrift van het proces-verbaal dat de overtreding vaststelt, wordt gestuurd aan de ambtenaar die de Koning aanwijst voor het opleggen van de administratieve geldboete.
HOOFDSTUK V : Sancties
Art. 17
Onverminderd de artikelen 18 en 19 kan de Minister van Binnenlandse Zaken, overeenkomstig een door de Koning te bepalen procedure:
1° de overeenkomstig de artikelen 2 en 4 verleende vergunning of erkenning, voor alle of voor sommige activiteiten, voor alle plaatsen waar die activiteiten worden uitgeoefend of voor slechts enkele plaatsen, voor de termijn van ten hoogste zes maanden intrekken of schorsen:
a) wanneer de bewakingsonderneming, de beveiligingsonderneming of de interne bewakingsdienst de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten niet in acht neemt of activiteiten uitoefent die onverenigbaar zijn met de openbare orde of met de inwendige of de uitwendige veiligheid van de Staat;
b) wanneer gebreken worden vastgesteld in de controle die door dergelijke ondernemingen of diensten wordt uitgeoefend op de naleving van de bepalingen van deze wet door hun personeelsleden of de personen die voor hun rekening werken.
2° de identificatiekaart die aan de in artikel 8, § 3, bedoelde personen overeenkomstig de genoemde bepaling is afgegeven, voor alle activiteiten of voor een gedeelte ervan, voor alle plaatsen waar die activiteiten worden uitgeoefend of voor sommige ervan, definitief of voor een termijn van ten hoogste zes maanden intrekken, wanneer die personen de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten niet in acht nemen.
3° de erkenning die aan de in artikel 7 bedoelde instellingen is verleend in de gevallen opgesomd in het vorenstaande 1°, voor een termijn van ten hoogste zes maanden intrekken of schorsen.
De beslissingen bedoeld in het eerste lid worden gemotiveerd en worden genomen na de betrokkenen gehoord te hebben.
De procedure bedoeld in het eerste lid omvat bepalingen die gericht zijn op het waarborgen van de rechten van de verdediging, de motivering en de kennisgeving van de beslissingen.
Art. 18
Overtreding van de artikelen 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, § 2, tweede tot zesde lid, 11 en 12 van deze wet en van de besluiten genomen ter uitvoering van artikel 8, § 5, wordt gestraft met geldboete van 1 000 tot 1 000 000 frank. Overtreding van de artikelen 8, § 3, en 10, van deze wet wordt gestraft met geldboete van 100 tot 100 000 frank.
De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de misdrijven omschreven in deze wet en in de uitvoeringsbesluiten.
Onverminderd artikel 56 van het Strafwetboek kan de straf, in geval van herhaling binnen twee jaar na de veroordeling, niet minder bedragen dan het dubbel van de voordien opgelegde straf die wegens hetzelfde misdrijf werd opgelegd.
De in artikel 1 bedoelde natuurlijke personen of rechtspersonen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor het betalen van de geldboeten en de kosten waartoe hun bestuurders, leden van het leidinggevend en uitvoerend personeel, aangestelden of lasthebbers veroordeeld worden krachtens dit artikel.
Strafrechtelijke vervolging sluit het opleggen van een administratieve geldboete uit.
De administratie tot wier bevoegdheid de toepassing van deze wet behoort, wordt voor de toepassing van de bepalingen van het Wetboek van strafvordering, inzonderheid van de artikelen 63 en 182, geacht te zijn benadeeld door de misdrijven bedoeld in dit artikel.
De verbeurdverklaring van alarmsystemen en alarmcentrales die niet zijn goedgekeurd door de Koning, wordt altijd uitgesproken.
Art. 19
§ 1. Een administratieve geldboete van 1 000 frank tot 1 000 000 frank kan worden opgelegd aan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten niet naleeft, de misdrijven bedoeld in artikel 18 uitgezonderd.
De in artikel 1 bedoelde natuurlijke personen of rechtspersonen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor het betalen van de administratieve geldboete die aan hun bestuurders, leden van het leidinggevend en uitvoerend personeel, aangestelden of lasthebbers wordt opgelegd.
§ 2. Elk proces-verbaal dat een schending vaststelt, wordt gestuurd aan de ambtenaar die de Koning aanwijst voor het opleggen van de administratieve geldboete en aan de procureur des Konings.
De procureur des Konings beschikt over een termijn van één maand te rekenen van de ontvangst van het proces-verbaal om zijn advies te geven betreffende de toepasselijkheid van § 1.
§ 3. De bevoegde ambtenaar beslist of er reden is om een administratieve geldboete op te leggen na degene die de wet schendt in de gelegenheid te hebben gesteld zijn verweermiddelen voor te dragen.
De beslissing bepaalt het bedrag van de geldboete en wordt met redenen omkleed.
Zij wordt bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van degene die de wet schendt, alsmede van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die burgerrechtelijk aansprakelijk is voor het betalen van de administratieve geldboete. Er wordt een verzoek aan toegevoegd de geldboete te betalen binnen de termijn bepaald door de Koning.
§ 4. Indien degene die de wet schendt of de burgerrechtelijke aansprakelijke persoon in gebreke blijft om de geldboete te betalen binnen de bepaalde termijn, vordert de ambtenaar bij verzoekschrift de toepassing van de administratieve geldboete voor de rechtbank van eerste aanleg.
§ 5. De Koning bepaalt de termijn en de wijze van betaling van de administratieve geldboete, evenals de termijn voor het indienen van het verzoekschrift bij de rechtbank van eerste aanleg.
§ 6. Er kan geen administratieve geldboete worden opgelegd drie jaar na het feit dat de bij § 1 bedoelde schending oplevert.
HOOFDSTUK VI : Slot-, overgangs- en opheffingsbepalingen
Art. 20
De Koning bepaalt het tarief van de retributies die aan elke onderneming, dienst of instelling voor de activiteiten waarvan een vergunning of een erkenning vereist is, moeten worden aangerekend om de kosten voor administratie, controle en toezicht, nodig voor toepassing van deze wet en de uitvoeringsbesluiten, te dekken.
De opbrengst van de retributies wordt gestort op de bijzondere rekening van de afzonderlijke sectie van de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken.
Art. 21
Deze wet is niet van toepassing op de bijzondere wachters bedoeld in de artikelen 61, 62 en 63 van de wet van 7 oktober 1886 houdende het Veldwetboek, in artikel 177 van de wet van 19 december 1854 houdende het Boswetboek en in artikel 31 van de wet van 1 juli 1954 op de riviervisserij.
Art. 22
§ 1. De ondernemingen die bij de inwerkingtreding van deze wet het voordeel genieten van een uitzondering toestaan op grond van artikel 1, tweede lid, van de wet van 29 juli 1934 waarbij de private milities verboden worden en waarbij de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie, aangevuld wordt, evenals de in artikel 1, § 3, van deze wet bedoelde ondernemingen, beschikken over een termijn van drie jaar om te voldoen aan de voorschriften van deze wet.
§ 2. De bewakingsondernemingen die bij de inwerkingtreding van deze wet activiteiten bedoeld in artikel 1, § 1, a) en b), uitoefenen ten behoeve van openbare rechtspersonen, mogen de lopende contracten nog uitvoeren tot maximum drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet.
§ 3. De personen die op de datum van de bekendmaking van deze wet in dienst zijn van een bewakings- of beveiligingsonderneming of voor hun rekening werken, worden geacht aan de voorwaarden bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, 5°, en 6, eerste lid, 5°, van deze wet te hebben voldaan.
§ 4. De personen die lid zijn geweest van een politie- of openbare inlichtingendienst, of militair in het beroepskader, het aanvullend kader, het tijdelijk kader of het hulpkader, of die een openbaar ambt hebben bekleed dat is bedoeld op de in de artikelen 5, eerste lid, 6°, en 6, eerste lid, 6°, bedoelde lijst, en die op de datum van de bekendmaking van deze wet bestuurders, leidinggevend of uitvoerend personeel van een bewakingsonderneming waren, behoeven niet te voldoen aan de voorwaarden die in de artikelen 5, eerste lid, 6°, en 6, eerste lid, 6° worden ingesteld.
Art. 23
Artikel 1, tweede lid, van de wet van 29 juli 1934 waarbij de private milities verboden worden en waarbij de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie, aangevuld wordt, wordt vervangen door de volgende bepaling:
< >
Art. 24
Deze wet treedt in werking één jaar na haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
De Koning kan nochtans voor iedere bepaling van deze wet een vroegere datum van inwerkingtreding vaststellen.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met ‘s Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 10 april 1990.
BOUDEWIJN
Van Koningswege:
De Minister van Binnenlandse Zaken
L. TOBBACK
Met ‘s Lands zegel gezegeld:
De Minister van Justitie,
M. WATHELET

| Meer