Skip to content

Diverse Bepalingen 2010

28 April 2010 – Wet houdende diverse bepalingen (1)

ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

HOOFDSTUK 2. — Commissie tot regeling der prijzen
Art. 45. Artikel 206 van de programmawet van 30 december 1988 wordt opgeheven.
TITEL 8. — Binnenlandse zaken
HOOFDSTUK 1. — Veiligheid en preventie
Afdeling 1. — Wijzigingen van de wet van 10 april 1990 betreffende de private en bijzondere veiligheid
Art. 46. In artikel 1 van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1o paragraaf 1, eerste lid, wordt aangevuld met de bepaling onder 8o, luidende : ?8o begeleiding van uitzonderlijke voertuigen met het oog op de verkeersveiligheid.?;
2o in paragraaf 2, vervangen bij de wet van 9 juni 1999, worden de woorden ? § 1, eerste lid, 1o tot 4o, 6o of 7o? vervangen door de woorden ? § 1, eerste lid, 1o tot 4o, 6o tot 8o?;
3o paragraaf 4 wordt aangevuld met de woorden ?of om brand, gaslekken of ontploffingen te voorkomen of vast te stellen?.
Art. 47. In artikel 2, § 5, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004, worden de woorden ?een eerste vergunning,? vervangen door de woorden ?een vergunning onder voorwaarden?.
Art. 48. In artikel 4, § 4, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004, worden de woorden ?een eerste vergunning,? vervangen door de woorden ?een vergunning onder voorwaarden?.
Art. 49. In artikel 5 van dezelfde wet worden de volgende wijzingen aangebracht :
1o in het eerste lid, vervangen bij de wet van 7 mei 2004, worden de woorden ?die zitting hebben in de raad van bestuur van een onderneming, een instelling of een onderneming die activiteiten uitoefent als bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, 5o? vervangen door de woorden ?die zitting hebben in de raad van bestuur van een onderneming of een instelling?;
2o het eerste lid wordt aangevuld met de bepaling onder 12o, luidende : « 12o in de afgelopen drie jaar niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij werd vastgesteld dat zij aan de voorwaarden, bedoeld onder 8o, niet voldeden. »;
3o het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende : « De onder 12o vermelde voorwaarde geldt niet indien, na de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken, de gerechtelijke overheid de feiten, waarop de beslissing is gebaseerd, niet bewezen verklaart of indien de belanghebbende nieuwe elementen aanbrengt ten opzichte van deze waarop de beslissing is gebaseerd. »
Art. 50. In artikel 6 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1o in het eerste lid, 1o, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende : « Personen die de activiteit uitoefenen bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, 8o, mogen niet vervallen zijn of mogen gedurende de laatste drie jaar niet vervallen geweest zijn van het recht om een motorvoertuig te besturen en moeten voldaan hebben aan de examens en onderzoeken die eventueel krachtens artikel 38 van de wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, werden opgelegd. »;
2o het eerste lid wordt aangevuld met de bepaling onder 11o, luidende : « 11o in de afgelopen drie jaar niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij werd vastgesteld dat zij aan de voorwaarden, bedoeld onder 8o, niet voldeden. »;
3o het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende : « De onder 11o vermelde voorwaarde geldt niet indien de gerechtelijke overheid, na de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken, de feiten, waarop de beslissing is gebaseerd, niet bewezen verklaart of indien de belanghebbende nieuwe elementen aanbrengt ten opzichte van deze waarop de beslissing is gebaseerd. »
Art. 51. In artikel 8 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1o paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende : « De Minister van Binnenlandse Zaken bepaalt de activiteiten, bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, waarbij werkkledij verplicht moet worden gedragen. »;
2o in paragraaf 2, zesde lid, 1o, vervangen bij de wet van 7 mei 2004, wordt het woord ?7o? vervangen door het woord ?8o?.
Art. 52. In artikel 9 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 10 juni 2001 en 7 mei 2004, worden de paragrafen 1 en 2 vervangen als volgt : « § 1. De Koning bepaalt de instanties die voorafgaandelijk aan de uitvoering van de activiteiten, bedoeld in artikel 1, moeten worden op de hoogte gebracht.
§ 2. De Minister van Binnenlandse Zaken kan bepalen dat de meldingen, bedoeld in of krachtens § 1, op een elektronische wijze aan de administratie van de FOD Binnenlandse Zaken worden overgemaakt, die op haar beurt de instantie van bestemming op de hoogte stelt. »
Art. 53. Artikel 12 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « De voorwaarden voor de installatie, het onderhoud en het gebruik van de in artikel 1, § 4, bedoelde alarmsystemen en alarmcentrales en hun componenten worden voor wat betreft de systemen en centrales bestemd om :
1o misdrijven tegen personen of goederen te voorkomen of vast te stellen, door de Koning bepaald;
2o brand, gaslekken of ontploffingen te voorkomen of vast te stellen, na overleg in de Ministerraad, door de Koning bepaald.?
Art. 54. In artikel 16 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 7 mei 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1o het tweede lid wordt vervangen als volgt : « De personen die het voorwerp uitmaken van een controle verlenen daartoe hun medewerking. Ze geven ten allen tijde aan de personen, bedoeld in het eerste lid, toegang tot de onderneming, de dienst of de instelling of de plaatsen waar de in artikel 1 bedoelde activiteiten worden uitgeoefend. Ze geven inzage van alle stukken die daartoe noodzakelijk zijn. Zij leggen hun identiteitsdocumenten voor op vraag van de personen belast met de controle. »;
2o in het zesde lid, 2o, worden de woorden ?voor zover de vastgestelde overtreding betrekking heeft op de artikelen 8, § 2, tweede tot vijfde lid, 10 of 11 of? opgeheven.
Art. 55. Artikel 18 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art. 56. In artikel 19 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1997, 27 december 2004 en 2 september 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1o in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden ?, de misdrijven bedoeld in artikel 18 uitgezonderd? opgeheven;
2o in paragraaf 1, eerste lid, 2o worden de woorden ?de helft? vervangen door de woorden ?30 %?;
3o in paragraaf 1, eerste lid, 3o, in de bepaling onder het tweede streepje, worden de woorden ?artikel 11, § 1,? ingevoegd tussen de woorden ?artikel 9, § 4,? en de woorden ?of artikel 15?;
4o in paragraaf 1, eerste lid, 3o, in de bepaling onder het derde streepje, worden de woorden ?artikel 10, artikel 11, uitgezonderd § 1, artikel 16, tweede lid,? ingevoegd tussen de woorden ?uitgezonderd § 3,? en de woorden ?of een van de artikelen?;
5o in paragraaf 1, tweede lid, wordt de bepaling onder 1o vervangen als volgt : « 1o met de helft vermeerderd indien binnen de drie jaar, nadat door de overtreder een minnelijke schikking werd aanvaard, zoals bedoeld in het eerste lid, 2o, een inbreuk op dezelfde bepaling, als deze die aanleiding gaf tot de minnelijke schikking, wordt vastgesteld; »;
6o in paragraaf 1, tweede lid, 2o, worden de woorden ?een minnelijke schikking werd aanvaard of? opgeheven;
7o paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende : « De bevoegde ambtenaar, bedoeld in § 2, eerste lid, kan, wanneer er verzachtende omstandigheden zijn, een administratieve geldboete onder de in het eerste lid, 3o, vermelde minimumbedragen opleggen, zonder dat de geldboete lager mag zijn dan 70 % van deze minimumbedragen. »;
8o in paragraaf 2 wordt het tweede lid opgeheven;
9o in paragraaf 5 wordt tussen het zevende en het achtste lid een lid ingevoegd, luidende : « De rechtbank kan, wanneer verzachtende omstandigheden aanwezig zijn, het bedrag van een opgelegde administratieve geldboete onder de in artikel 19, § 1, eerste lid, 3o, vermelde minimumbedragen verminderen, zonder dat de geldboete lager mag zijn dan 70 % van deze minimumbedragen. »
Art. 57. Artikel 21 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 9 juni 1999, wordt vervangen als volgt : « Art. 21. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de lijst vaststellen van de beroepen of activiteiten die niet als een activiteit bedoeld in artikel 1 worden beschouwd omdat de functie en de bevoegdheden van de beoefenaars ervan geregeld zijn door een wet die voorziet in de nodige beschermingsregels ten aanzien van de personen die het voorwerp uitmaken van deze activiteiten. De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van dit artikel. »
Art. 58. Artikel 22 van dezelfde wet wordt aangevuld met de paragrafen 10 en 11, luidende : « § 10. Ondernemingen en diensten die binnen een termijn van twee maanden na de datum van inwerkingtreding van artikel 1, § 1, eerste lid, 8o, de in de artikel 2, § 1, bedoelde vergunning hebben aangevraagd voor het uitoefenen van de activiteiten bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, 8o, conform de regels door de Koning bepaald, kunnen deze activiteiten gedurende de periode voorafgaand aan de betekening van de beslissing omtrent hun aanvraag verder zetten, ook zonder dat de vergunning is verkregen. De personen in dienst bij de ondernemingen en interne diensten, kunnen, zonder aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 5o, of in artikel 6, eerste lid, 5o, te hebben voldaan, de bewakingsactiviteit bedoeld in artikel 1, § 1, eerste lid, 8o, van de wet uitoefenen tot maximum achttien maanden na de betekening van de vergunning, bedoeld in het eerste lid.
§ 11. Ondernemingen die op datum van de inwerkingtreding van deze paragraaf, alarmsystemen uitsluitend bestemd voor het voorkomen of vaststellen van brand, gaslekken of ontploffingen installeren, onderhouden of herstellen, en de daartoe in artikel 4, § 1, bedoelde erkenning hebben aangevraagd binnen de twee maanden na de datum van inwerkingtreding van deze paragraaf, kunnen deze activiteiten gedurende de periode voorafgaand aan de betekening van de beslissing omtrent hun aanvraag verder zetten, ook zonder dat de erkenning is verkregen. De personen in dienst bij een onderneming, kunnen, zonder aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 5o, of in artikel 6, eerste lid, 5o, te hebben voldaan, de activiteit bedoeld in het eerste lid uitoefenen tot maximum achttien maanden na de betekening van de erkenning, bedoeld in het eerste lid.?.
Afdeling 2. — Wijzigingen van de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privédetective
Art. 59. Artikel 2 van de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privédetective, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende : « § 2. De Minister van Binnenlandse Zaken kan de bevoegdheid bedoeld in § 1 overdragen aan een agent die hij hiertoe machtigt, behalve voor beslissingen over een vergunning onder voorwaarden, de weigering van een vergunning of de weigering van de vernieuwing van een vergunning. »
Art. 60. In artikel 4, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden ?of door een agent die hij heeft aangewezen? ingevoegd tussen de woorden ?Minister van Binnenlandse Zaken? en de woorden ?, enkel als hoofdberoep?.

| Meer

Deel je mening, plaats een reactie.

(required)
(required)

Nota: HTML is toegestaan. Uw e-mail adres zal nooit gepubliseerd worden.

Abonneer op de Reacties